Navigatie en titel overslaan

Thema's

Nederlandse Antillen

Internering NSB-ers en Duitsers

Nadat Nederland op 10 mei 1940 door nazi-Duitsland was binnengevallen, kondigde gouverneur Gielliam J.J. Wouters van de Nederlands-Antilliaanse eilanden de staat van beleg af. De pers werd onder censuur geplaatst en allerlei noodmaatregelen traden in werking. Eén daarvan was het interneren van alle personen die nu als vijand van het Koninkrijk werden beschouwd. Dit waren in de eerste plaats de tweehonderd op de Antillen wonende Duitsers en Oostenrijkers. Onder hen bevonden zich zowel een aantal antifascisten als een dertigtal voor de nazi’s gevluchte joden uit Duitsland en Oostenrijk. Voorts werden eenenveertig Nederlanders en Antillianen met vermeende pro-Duitse of antikoloniale sympathieën van hun bed gelicht. Niet alleen de Duitse inwoners van de eilanden werden opgepakt, in de vroege ochtend van 10 mei werden ook zeven Duitse schepen die in de havens voor anker lagen geconfisqueerd en de bemanning, ruim tweehonderd man, in hechtenis genomen. Net als de overige gevangenen werden zij op Bonaire geïnterneerd.

Aanvankelijk werden de gevangenen op Bonaire in schoolgebouwen opgesloten, in juli 1940 was het interneringskamp gereed. Ten opzichte van de Duitse gevangenen hield de gouverneur zich strikt aan de Conventie van Geneve, want hij wist dat de Duitse bezetter in Nederland prominente Nederlanders in gijzeling zou nemen als de Duitse geïnterneerden slecht zouden worden behandeld. De omstandigheden in het kamp waren relatief goed: de gevangenen kregen zakgeld en konden postpakketten ontvangen. Er was sprake van een beperkte vorm van zelfbestuur. De gevangenen mochten allerlei verbeteringen aanbrengen, er was een lees- en studievertrek en regelmatig bestond de gelegenheid een paar uur buiten het kamp te gaan wandelen.

Onder de Duitse zeelieden in het kamp beraamde een groep activisten het plan om het enige fort op het eiland te gaan bezetten. Maar het plan werd verijdeld en alle zeelieden werden naar Brits Jamaica overgebracht. Spanningen ontstonden er ook tussen Duitse nazi-sympathisanten en Duitse joden, die zich vanzelfsprekend ergerden aan hun vrijheidsberoving. Op 11 augustus 1942 schreef een aantal gedetineerden: ‘We beschouwen het als belediging te zijn gedetineerd in een democratisch land’. Gouverneur Wouters was echter fel gekant tegen hun vrijlating, maar stond toe dat zij vertrokken naar een apart kamp op plantage Guatemala. In september breidde de nieuwe gouverneur P. A. Kasteel hun bewegingsvrijheid uit tot de eilanden Curaçao en Aruba, maar de joden moesten zich dagelijks melden bij de politie. Bovendien was radiobezit en bioscoopbezoek verboden en hun beroepskeuze beperkt. De Nederlandsch-Portugeesche Israelitische Gemeente op Curaçao pleitte bij monde van rabbijn Jessurun Cardozo steeds voor volledige vrijlating van de joodse vluchtelingen. Ook minister Welter van Koloniën had na een bezoek in juni 1942 aan de plantage Guatemala aangedrongen op hun vrijlating. In juni 1944 werden de meeste beperkende maatregelen opgeheven.

Wat kunt u onder dit thema vinden?
U vindt hier archieven en stukken met betrekking tot het interneren van mensen die als vijand van het koninkrijk beschouwd werden.

Literatuurverwijzingen

L. van der Horst, Wereldoorlog in de West: Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba, 1940-1945 (Hilversum 2004).

G. Oostindie en I. Klinkers, Knellende koninkrijksbanden. Het Nederlandse kolonisatiebeleid in de Caraïben 1940-2000. Deel 1: 1940-1954 (Amsterdam 2001).