Navigatie en titel overslaan

Thema's

Nederlands-Indië

Krijgsgevangenen

Ruim 42.000 Europese militairen raakten tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in krijgsgevangenschap. Het waren vooral militairen van de Koninklijke Marine en militairen van het koloniale leger, het KNIL. De Indonesische KNIL-soldaten - rond de 55.000 - maakten massaal gebruik van de mogelijkheid na het ondertekenen van een loyaliteitsverklaring hun vrijheid te herkrijgen. Een deel van hen nam vervolgens – gedwongen of uit noodzaak – dienst als hulpsoldaat (heiho) in het Japanse leger. Enkele honderden christelijke inlandse militairen – vooral Ambonezen, Timorezen en Menadonezen – weigerden deze verklaring af te leggen. Zij brachten de gehele Japanse bezettingstijd in krijgsgevangenschap door, samen met het marinepersoneel en de Nederlandse KNIL-militairen, van wie het merendeel van Indische afkomst was.

Korte tijd hebben aparte krijgsgevangenkampen voor Indo-Europeanen bestaan. Ongeveer 8000 van hen werden in juni 1942 bij Bandoeng ondergebracht in onder meer Tjimahi IV en IX. Omdat de Japanners de Indo’s wilden overhalen hun kant te kiezen, waren de levensomstandigheden hier redelijk. Maar weinig gevangenen toonden een pro-Japanse houding en in oktober werden de aparte kampen al weer opgeheven en kregen de Indo-Europese gevangenen dezelfde behandeling als de blanke gevangenen. Tevens werd een begin gemaakt met het transport van krijgsgevangenen naar werkkampen in Singapore, Birma, Thailand en naar Indo-China en Japan, waar de gevangenen het als dwangarbeiders zwaar te verduren hadden. Veel Indo-Europese gevangenen bleven op Java achter, maar degenen die vertrokken naar de kampen overzee kregen het net zo moeilijk als hun Europese lotgenoten.

Hoewel Japan de Geneefse Conventie inzake de humane behandeling van krijgsgevangenen had ondertekend, hield het land zich niet aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen. De gevangenen werden vernederd, hardhandig behandeld en dikwijls geterroriseerd. Aan voedsel was permanent gebrek, de huisvesting slecht en de medische zorg vrijwel afwezig. Vooral in de kampen van waaruit zware arbeid moest worden verricht, waren de leefomstandigheden beneden alle peil. Niet alle krijgsgevangenen hebben overigens in dezelfde mate geleden; de ene Japanse kampcommandant of bewaker was de andere niet. Zo gedroeg de commandant van het Nieuwe Kamp in Tjilatjap zich als een beul, terwijl zijn opvolger - door de gevangenen ‘opa’ genoemd - aanzienlijk milder optrad. Ook maakte het verschil of een gevangene gewoon soldaat was of een officiersrang had. Sommige gevangenen slaagden erin een bevoorrechte positie te veroveren. Bovendien maakte het verschil naar welk gebied de gevangenen werden gedeporteerd om dwangarbeid te verrichten. De minste slachtoffers zijn gevallen onder degenen die voor eind 1943 naar Japan werden overgebracht, de meeste slachtoffers vielen onder hen die op de Molukken vliegvelden moesten aanleggen. In totaal overleefde ongeveer twintig procent van de krijgsgevangenen de oorlog niet. De grootste overlevingskans hadden de Indo’s en de Indonesiërs, die vertrouwd waren met de tropen en wisten welke gewassen eetbaar waren en welke planten een geneeskrachtige werking hadden.

Wat kunt u onder dit thema vinden?
U vindt hier alles wat te maken heeft met de door de Japanners tot krijgsgevangenen gemaakte mensen tijdens de Japanse bezetting. Zie voor Japanse krijgsgevangenen na de oorlog het thema Nasleep.

Literatuurverwijzingen

P. Groen en E. Touwen-Bouwsma (red.), Tussen banzai en bersiap: de afwikkeling van de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië (Den Haag 1996).
K. Kornaat, In de greep van de vijand: Nederlandse militairen in Duitse en Japanse krijgsgevangenschap 1940-1945 (Amsterdam 1995).
B. MacArthur, Surviving the sword: prisoners of the Japanese in the Far East, 1942-45 (New York 2005).

B. More and K. Fedorowich (eds.), Prisoners of war and their captors in World War II (Oxford/Washington 1996).
L. van Poelgeest, Japanse besognes: Nederland en Japan (Wassenaar 1999).