Navigatie en titel overslaan

Thema's

Nederland

Nasleep

Militair gezag

Om Nederland na de bevrijding in goede banen te leiden en op de gevolgen van de oorlogshandelingen greep te krijgen, stelde de regering-Gerbrandy in januari 1943 in Londen het Bureau Militair Gezag in. Aangenomen werd dat Nederland in één keer bevrijd zou worden en dat slechts een korte overgangsperiode nodig was om het civiele bestuursapparaat te herstellen. Met de mogelijkheid dat de bevrijding van Nederland niet in één keer maar in fasen zou plaatsvinden, was geen rekening gehouden. Omdat het land sinds de herfst van 1944 verdeeld was in een bevrijd Zuidelijk deel en een nog bezet Noordelijk en Westelijk deel stond het Militair Gezag aanvankelijk vooral in het teken van de oorlogvoering. De staf, met aan het hoofd generaal-majoor H.J. Kruls, was aanvankelijk gevestigd in Brussel, waar ook het geallieerde oppercommando gevestigd was waarmee nauwe contacten werden onderhouden. In april 1945 zou het hoofdkwartier worden verplaatst naar Breda om in mei na de bevrijding van heel Nederland naar Den Haag te verhuizen.

Het Militair Gezag, dat bedoeld was als voorpost van de regering die uit ballingschap zou terugkeren, was op veel terreinen actief. Het hield toezicht op het functioneren van de openbare diensten en de gezondheidstoestand van de bevolking, bracht evacués onder, droeg zorg voor de terugkeer van Displaced Persons en maakte een begin met de zuivering door schorsing van ambtenaren. Maar vooral was het verantwoordelijk voor de zo belangrijke distributie van het door de geallieerde legers aangevoerde voedsel. Ook gaf het een aanzet voor de wederopbouw van de economie, door herstel van waterwegen en spoorverbindingen en de kolenvoorziening. Aangezien Zuid-Nederland frontgebied bleef en er voortdurende dreiging was van Duitse luchtaanvallen, prevaleerden voor het Militair Gezag bij het herstel van oorlogsschade vaak de militaire belangen.

Het militaire bestuur had ook tot taak orde en rust te herstellen. Op dit gebied was er sprake van competentiestrijd met niet alleen de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS), maar ook met de voormalige verzetsgroepen. Vooral bij de arrestatie van (vermeende) politieke delinquenten ontstonden problemen. De meeste arrestaties werden feitelijk verricht door de NBS en de voormalige illegaliteit, zonder dat zij daarvoor wettelijke bevoegd waren. Spanningen konden ook optreden tussen het militaire bestuur, dat bevoegd was tijdelijk ministeriële taken te verrichten, en de burgerlijke autoriteiten. Aangezien de ministeriële bureaucratie zich in nog niet bevrijd gebied bevond, zette het Militair Gezag een eigen bestuursapparaat op dat zich in snel temp uitbreidde. Het door interne tegenstellingen verzwakte kabinet-Gerbrandy, waarvan eind 1944 enkele kwartiermakers naar het bevrijde Zuiden kwamen, bleek niet in staat het Militair Gezag dat tal van functies op militair, economische en politiek terrein naar zich toe trok, te beteugelen. Vooral de sociaaldemocratische ministers ondervonden veel tegenwerking van het militaire bestuur. Hun slechte verstandhouding was er mede de oorzaak van dat het kabinet in januari 1945 ten val kwam. Met de opheffing van de staat van beleg, in maart 1946, werd tevens het Militair Gezag beëindigd.

Literatuurverwijzingen

N. Beyens, Overgangspolitiek: de strijd om de macht in Nederland en Frankrijk na de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 2009).
L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog  (Den Haag 1969-1988).