Navigatie en titel overslaan

Thema's

Nederland

Dagelijks leven

Voor de Nederlanders die niet tot de door de Duitsers vervolgde groepen behoorden, betekende de oorlog vooral schaarste en gebrek. Van hongersnood was, behalve tijdens de Hongerwinter 1944/45 in de grote steden in het westen van het land, echter geen sprake. In het eerste halfjaar van de bezetting maakte het land zelfs een periode van ongekende economische bloei door en er kwam een eind aan de massale werkloosheid. Maar de bezetting en de blokkade van de geallieerde mogendheden leidde al spoedig tot problemen in de voedselvoorziening.

Om de schaarste zo eerlijk mogelijk over de bevolking te verdelen werd een distributiestelsel ingevoerd, dat in de jaren dertig was voorbereid in het geval van een vijandelijke bezetting. Veel gevraagde producten als thee, koffie en rookwaren vielen als eerste onder de distributiebepalingen. Spoedig waren zij alleen nog als (vaak smakeloze) surrogaten verkrijgbaar. Bovendien werden wol en katoen schaars, en textiel ging dan ook al vroeg ‘op de bon’. Kunstzijde werd geïntroduceerd en het Rijksbureau voor Textiel kwam met besparende voorschriften. Naast het distributiesysteem ontwikkelde zich een zwarte markt. Fabrikanten, handelaren en ambtenaren probeerden bepaalde voorraden buiten het distributiesysteem te houden en daarmee voordeel te behalen. De Centrale Crisis Controle Dienst werd ingesteld om de illegale handel te bestrijden.

 

Behalve met de schaarste en de voedseldistributie kreeg ook iedereen te maken met het persoonsbewijs, dat eind 1940 door de bezetter verplicht werd gesteld. Iedereen moest het bij zich dragen en bij controle tonen. De aanvraagformulieren werden bewaard in de gemeentelijke bevolkingsregisters en bovendien op een centrale plaats in Den Haag. Door raadpleging van deze gegevens waren vervalsingen eenvoudig aan te tonen. Het persoonsbewijs bleek een belangrijk middel voor de Duitse opsporingsinstanties in hun strijd tegen de illegaliteit.

 

Er was nog een maatregel die voor iedereen gold: de verplichte verduistering. ’s  Avonds en ’s nachts mocht er geen straaltje licht uit een huis schijnen. De maatregel, die de hele oorlog gehandhaafd bleef, was door de Duitsers ingevoerd om geallieerde bommenwerpers geen mogelijkheid te geven zich te oriënteren. Op de naleving van de maatregel werd toegezien door de Luchtbeschermingsdienst. In huis moesten alle vensters afgeschermd worden met overgordijnen, zwarte verduisteringsgordijnen of stroken verduisteringspapier. Er was geen straatverlichting en geen lichtreclame; fietsen en andere vervoersmiddelen mochten alleen een flauw, afgeschermd licht voeren. ’s Avonds heerste vrijwel complete duisternis en om nog iets te kunnen was er de ‘knijpkat’: een zaklantaarntje dat met eigen handkracht werd bediend, want batterijen waren schaars. In dagbladen en bioscopen werden campagnes gevoerd om het publiek te wijzen op het belang van de verduistering.

 

Wat kunt u onder dit thema vinden?
Allerhande archieven met betrekking tot het dagelijks leven zijn onder dit thema geplaatst, zoals dagboeken. Verder kunt u hier archieven vinden met betrekking tot de onderwerpen persoonsbewijzen, religie, onderwijs, verenigingsleven en gezondheidszorg.

 

Literatuurverwijzingen

B.A. van der Boom, 'We leven nog' : de stemming in bezet Nederland (Amsterdam 2003).
Chr. van der Heijden, Grijs verleden : Nederland en de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 2001).
Th. Leeflang, De bioscoop in de oorlog (Amsterdam 2009). 

A. van Liempt, De oorlog (Amsterdam 2009).
A. Schulte (samenst.), De geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in meer dan 100 verhalen (Amsterdam 2005).
A.Swijtink, In de pas: sport en lichamelijke opvoeding in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog (Haarlem 1992).