Navigatie en titel overslaan

Gevonden >
Archief van de Commissie Beheersconflicten te Groningen, 1948 - 1951

Omschrijving

Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog kreeg Nederland te maken met het beheer van vermogens van personen die door oorlogsomstandigheden afwezig waren en hun bedrijf, huis of inboedel hadden moeten achterlaten. Evenzeer kreeg de Staat bemoeienis met vermogens van vijandelijke staten of onderdanen, NSB-ers en van personen die op grond van hun gedragingen in de bezettingstijd, ingevolge het Besluit Buitengewoon Strafrecht of het Tribunaalbesluit geïnterneerd waren of waren geweest. Voor het beheer van deze vermogens werd het Nederlands Beheersinstituut in het leven geroepen. De belangrijkste onderdelen van de taak van het N.B.I. waren:
- Beheer van vermogens van vijandelijk vermogen of wist waar dit zou kunnen worden aangetroffen, was verplicht hiervan bij het N.B.I. onverwijld aangifte te doen. De vijandelijke vermogens gingen van rechtswege in eigendom op de Staat over (art. 3, lid 1 van E 133).
- Beheer van vermogens van N.S.B.-ers en daarmee gelijkgestelden (art. 10, lid 2 van E 133) en daardoor de uitvoering van het besluit landverradelijke organisaties van 1944, Staatsblad E 102). In de Nederlandse Staatscourant van 29 november 1945 (nr. 122) werd een opgave gepubliceerd van organisaties en instellingen die met de N.S.B. werden gelijkgesteld. Deze waren: de "Weerafdeling, Germaansche S.S. der Nederlanden, Nationale Jeugdstorm, Nationaal-Socialistische vrouwenorganisaties, Nationaal-Socialistisch ambtenarencorps, Nationaal-Socialistische Studentencorps, Frontzorg en de Nederlandsche Landwacht" (verordening 110/1943).
- Beheer van vermogens van personen, die van hun vrijheid zijn beroofd op grond van een veroordeling wegens, of verdenking van een misdrijf, genoemd in het Besluit Buitengewoon Strafrecht, het Besluit op de bijzondere staat van beleg of Tribunaalbesluit (art. 6, lid 1 van E 133).
- Benoemen van bewindvoerders voor afwezigen (art. 85, lid 1 en 2 van E 100). Onder afwezigen moeten worden verstaan personen die tengevolge van de oorlog tijdelijk niet vindbaar waren, maar ook de meer dan 100.000 mensen, grotendeels Joden, die in concentratiekampen of in de gaskamers waren omgekomen, zonder dat hun overlijden wettelijk vaststond. Zolang zij niet ingevolge de wet overleden waren verklaard, waren zij, in de zin der wet, "afwezig". een en ander was bedoeld om te voorkomen dat de vermogens (huizen, bedrijven, goederen) door derden wederrechtelijk in bezit zouden worden genomen (plundering).
- Benoemen, ontslaan en schorsen van bestuurders voor rechtspersonen en het nader regelen van hun bevoegdheden (art. 99, lid 1, 2, en 3 van E 100). Het N.B.I. had het recht om personen in hun functie van bestuurder bij enige rechtspersoon te schorsen en te vervangen door anderes bestuurders.
- Effectuering van verbeurdverklaringen ten laste van politieke deliquenten (op grond van het besluit 27 september 1947, Staatsblad H 336).
- Uitvoering van de Wet Herstel Vermogensovergang Rijksmarkengebied van 18 juli 1947, Staatsblad H 251). Ten aanzien van het door het NBI gevoerde beheer ontstonden klachten. Op 4 december 1947 werd er door Tweede Kamerlid mej. Mr. Tendeloo een voorstel ingediend om commissies van toezicht in te stellen. Uiteindelijk leidde dit tot het besluit van 11 juni 1948 (Staatscourant 12 oktober 1948, nr. 197) tot instelling van klachtencommissies, de Commissies Beheersconflicten (C.B.C.'s). In principe behandelden de C.B.C.'s alleen schriftelijke ingekomen klachten. Omdat er echter meestal behoefte was aan een uitgebreide toelichting op de ingediende klacht, werden er door de meeste commissies spreekuren georganiseerd. Tijdens deze spreekuren bleek maar al te vaak dat veel klachten onterecht ingediend werden. Een en ander vindt zijn oorzaak in de bijzondere gecompliceerdheid van de materie. Vele mensen beschouwden de commissies als instanties waaraan men alle narigheden -gevolg van internering en beheer- kon voorleggen, en waar deze dan ook op slag uit de wereld geholpen konden worden. Naarmate men op dit gebied ervaring opdeed, kon vaak op het eerste gezicht worden gezien, dat er van een conflict met het NBI geen sprake was. De taak van de commissies werd dan ook vaak die van verkeersagent: verwijzing naar de Schade Enquete Commissie, het departement van Oorlog, de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten enz. Naarmate er meer beheren werden opgeheven, verminderden de activiteiten van de vertegenwoordigers van het NBI, hetgeen tot gevolg had dat reeds in 1950 enkele vertegenwoordigingen werden opgeheven. De aanhanginge zaken werden overgedragen aan een andere vertegenwoordiging. Oktober 1951 werd de C.B.C. Groningen opgeheven.
Zie voor een uitgebreide toelichting de inleiding van de inventaris. Het archief van het NBI bevindt zich in het Nationaal Archief, nummer toegang 2.09.16

Het archief bevat 8 inventarisnummers en 2 bijlagen ( instellingsbesluit klachtencommissie van 11 juni 1948 en samenstelling van de commissies):
Inventarisnummers 1-4 bevatten respectievelijk verslag van de werkzaamheden van de commissie, 1948-1949 ; verslag van de bevindingen, uitgebracht aan de Algemene Rekenkamer, 1950 ; stukken betreffende de instelling, samenstelling en opheffing van de commissie, 1948-1951 en correspondentie met verschillende personen en instanties betreffende de werkwijze van de commissie en de afhandeling van enkele zaken, 1948-1950.
Inventarisnummers 5-7 bevatten klachtendossiers, alfabetisch gerangschikt op naam. Inventarisnummer 8 bevat een agenda van ingekomen klachten, met aantekeningen omtrent de afdoening ervan, 1948-1951.

Thema's

Indeling

  • Nederlandse instellingen en personen na de bevrijding
    • Overheid